Richard GerstlRichard Gerstl (1883-1908) is de Grote Onbekende van het Weens expressionisme. Door zijn vroege dood is zijn werk veel minder omvangrijk dan dat van Kokoschka en ook Schiele, die evenmin oud werd. Omdat Gerstl zijn naam nog niet tijdens zijn leven had gevestigd heeft zijn werk, dat in kwaliteit niets onderdoet voor dat van Kokoschka en Schiele, nooit de verdiende bekendheid gekregen.
Omdat Gerstl al zijn aantekeningen schijnt te hebben vernietigd komt alles wat we van hem weten uit getuigenissen van vrienden en bekenden - of uit zijn zelfportretten. Gerstl kwam uit een rijke familie. Hij wilde als jochie al kunstenaar worden, en kon dit besluit dus doorzetten. Dit tot verdriet van zijn vader, die ook moest verteren dat Richard werd verwijderd van het Piaristengymnasium in Wenen, vanwege "moeilijkheden met de discipline".
Gerstl zelf, die naar de Wiener Akademie wilde, zat er minder mee. In 1898 werd hij daar aangenomen, ook al irriteerden zijn categorische afkeer van de Secession-schilderstijl zijn Secessionistische professor in hoge mate. Opvallend is dat Gerstl zijn opleiding voor maar liefst vijf jaar onderbrak. In die tijd studeerde hij talen, filosofie and vooral muziek. Zijn ontmoetingen met Gustav Mahler en zijn vriendschap met Arnold Schönberg brachten hem in feite dichter bij muzikanten, in het bijzonder componisten, dan bij medeschilders.
Uitzondering hierop was de schilder Viktor Hammer, hoewel deze een andere schilderstijl voorstond, en de heren elkaar nooit "gedutzt" schijnen te hebben. Hammer maakte het mogelijk dat Gerstl in .... de speciale tekenklassen van Heinrich Lefler bezocht. Maar Gerstls academische carrière stopte juist in deze tijd, toen Gerstl weigerde deel te nemen aan een parade ter ere van Keizer Franz Josef. Gerstl noemde zoiets "onwaardig voor een kunstenaar", en terecht natuurlijk.
Sociale acceptatie brachten deze actie, en Gerstls radicale en egocentrische attitude in het algemeen, natuurlijk niet. Evenmin maakte zijn verwerping van de Secession - en de overtuiging dat hij zelf meer te bieden had - hem populair: hij was de geboren Aussenseiter. Misschien dat Gerstl daarom geen enkele tentoonstelling had tijdens zijn leven - maar dat kan ook een gevolg zijn geweest van desinteresse in sociale erkenning. In elk geval was de radicale nieuwheid van zijn benadering teveel om in het Oostenrijk van die tijd te worden geapprecieerd.
In plaats van de nadruk op symbolen en de psyche, hetgeen we van Klimt kennen, stelt Gerstl meer belang in de optische ervaring op zich. De directe kleuruitdrukking en -ervaring speelt een veel grotere rol. Een mooi voorbeeld hiervan is het Zelfportret halfnaakt voor een blauwe achtergrond (1901–2, privébezit), waarin de intense kleuren wel van het doek lijken te komen. De voorstelling is ook zeer unzeitgemäss, want wie beeldde zichzelf in 1900 nu af als een halve Jezusfiguur, met een lendedoek in een halo van licht?
Het verschil tussen de "psychische" schilderkunst van Klimt, waar we de gedachtenwereld moeten raden achter het doek, en het directe expressionisme van Gerstl, wordt zonneklaar uit het aanstekelijke zelfportret Lachend (1907).
"Technisch" is Gerstls schilderwerk natuurlijk ook van een heel andere aard dan het meer grafische, op duidelijke vormen en lijnen gerichte werk van Klimt, Schiele en zelfs de vroege Kokoschka. Gerstl is altijd veel wilder, zijn streek is grover, zoals op Blik in een straat (1908), waar hij vooral het licht vangt met een paar rake, grove streken.
Zijn landschapsschilderingen kennen dezelfde nadruk op de kleuruitdrukking, zoals het warme Grinzing, Frühling 1907 (olie op doek, 29,7 bij 40,2 cm, privébezit),
maar ook het koude en wilde Zicht op meer (naam en datum onbekend).
Maar in het Portret van de Schönberg-familie lijkt de lijn helemaal opgeofferd aan de kleur. De verf lijkt lukraak op het doek gesmeten, en of er vlakken worden gevormd en herkenbare portretten worden afgebeeld lijkt bijzaak.
Gerstl ontmoette Schönberg in 1906. De laatste vroeg Gerstl, na diens tekenvaardigheid op Leflers schilderschool te hebben gechekt, om portretten van hemzelf te maken. Later schilderde Gerstl diens vrouw, Mathilde Zemlinsky, en hun dochter Gertrud. Schönbergs interesse in schilderen, vanaf 1908, schijnt door Gerstl te zijn gewekt. Andersom zei Gerstl dat Schönbergs muziek hem inspireerde. Ook de relatie met Mathildes broer Alexander was hecht.
Alexander Zemlinsky
Mathilde Schönberg (1908)De vriendschap tussen Gerstl en de Schönbergs verdiepte zich, en Gerstl ging vaak naar muziekopvoeringen met Mathilde. De afloop was echter tragisch. Gerstl bracht de zomer van 1907 samen met de Schönbergs door in Traunstein. Er onstond een liefdesrelatie tussen Mathilde Schönberg en Gerstl. Een jaar later vond Schönberg de twee samen in bed.
Maanden daarna haalde Gerstl Mathilde over samen naar Gmunden te ontsnappen. Schönberg haalde haar echter over terug te komen, hetgeen ze ook deed - vanwege de kinderen. Gerstl pleegde kort daarna op nogal gruwelijke wijze zelfmoord. Hij doorstak zichzelf, hangend in een strop, voor een grote spiegel. Die avond, 4 november 1908, ging een nieuw Schönberg-stuk in première. Gerstl was niet uitgenodigd.De Schönbergs waren nauwelijks minder aangedaan door de affaire. Arnold dacht ook aan zelfmoord, maar verwerkte de schok in de opera Die glückliche Hand (begonnen 1908, klaar 1913). Het thema van liefde als houvast in een verder eenzame, gefractureerde wereld bleef Schönber bezighouden. Gerstl, echter, verloor niet alleen Mathilde, hij verloor door de affaire ook het contact met zijn artistieke omgeving. Misschien deed het gebrek aan erkenning de rest.
(gebruik gemaakt van www.museumonline.at)