Schieles jeugd
Arthur Roessler, schrijver en levenslange patroon van Egon Schiele, beschrijft de laatste zo:
'Even in the presence of well known men of imposing appearance, Schiele's unusual looks stood out ... He had a tall, slim, supple figure with narrow shoulders, long arms and long-fingered bony hands. His face was sunburned, beardless, and surrounded by long, dark, unruly hair. His broad, angular forehead was furrowed by horizontal lines. The features of his face were usually fixed in an earnest, almost sad expression, as though caused by pains which made him weep inwardly. ... His laconic, aphoristic way of speaking created, in keeping with the way he looked, the impression of an inner nobility that seemed the more convincing because it was obviously natural and in no way feigned.'
Egon Schiele wordt geboren op 12 juni 1890 in Tulln, een plaatsje aan de Donau, waar zijn vader Adolf stationsopzichter is. De jonge Egon wordt in 1901 naar Krems op kostschool gestuurd, en in 1904 in Klosterneuburg, aan de noordgrens van Wenen. Datzelfde jaar volgt zijn familie hem daarheen, vanwege de slechte mentale gezondheid van de vader.
In zijn puberteit ontwikkelt Schiele een half of helemaal incestueuze relatie met zijn vier jaar jongere zus Gertie. Vader Adolf breekt zelfs een keer de deur van de kinderkamer heen, om te zien wat de twee daarachter uitspoken. Als Egon 16 is en Gertie (dus) 12 neemt Schiele zijn zusje per trein mee naar Triëst, waar de twee een nacht doorbrengen in een hotelkamer.In 1905 sterft Egons geliefde vader, aan de geestesziekte die hem steeds moeilijker maakte. Schiele later over dit verlies (in een brief):
'Ik weet niet of er iemand anders is die zichmijn nobele vader herinnert met zoveel verdriet. Ik weet ook niet wie begrijpen kan waarom ik die plaatsen bezoek waar mijn vader was, en waar ik de pijn kan voelen... Waarom schilder ik graven en vergelijkbare dingen? Omdat dit in mij blijft leven.'
Schiele zal zichzelf ontpoppen als een schilder van de schaduwzijden van het leven. Het brieffragment toont ook hoe hij het pijnlijke en verdrietige cultiveert, theatraal maakt. Hij zou zijn moeder blijven verwijten dat zij niet het verdriet en de rouw toonde die hijzelf bij dit verlies voelde. Ze gaf hem überhaupt weinig aandacht:
'Mijn moeder is een erg vreemde vrouw.. Ze begrijpt me niet in het minst en houdt ook niet van me. Als ze wat liefde en begrip kende zou ze ook offers [voor me] kunnen brengen.'
Duidelijk is dat Schiele zich miskend voelde door zijn 'vreemde' moeder, die haar zoon ook zeer 'vreemd' zal hebben gevonden. Dit gevoel van miskenning verklaart wellicht iets van Schieles overspannen neiging om aandacht te trekken voor zijn gevoelens.In weerwil van de wensen van zijn moeder en haar broer (Schieles voogd) meldde Sciele zich in 1906 aan bij de Handgewerbeschule in Wenen, maar hij werd doorgestuurd naar Akademie der Kunste, waar hij wordt aangenomen. Het jaar daarop zoekt hij contact met zijn idool Gustav Klimt, en liet hem enkele van zijn tekeningen zien. Op de vraag of Schiele talent heeft antwoordt Klimt: "Veel te veel!' Talent had Schiele genoeg, de vraag was meer of hij het in goede richtingen zou ontwikkelen.
Vroeg werk van de zeventienjarige Schiele: dan weer impressionistisch, dan weer kleurrijk-expressionistisch, dan weer in Secessionstijl. Talent te over, nog geen eigen stijl.
Klimt moedigt wel vaker jonge kunstenaars aan, en zeker bij Schiele heeft hij veel gedaan om de ontwikkeling van een jonge kunstbroeder te bevorderen. Klimt kocht tekeningen van Schiele, ruilde andere, zocht modellen en mecenassen voor hem. Bovendien introduceerde Klimt Schiele bij de Wiener Werkstätte, waarvoor Schiele vanaf 1908 allerlei werk doet. Naast de bekende ansichtkaarten en posters ontwerpt hij herenkleding en damesschoenen. In 1908, dus op achttienjarige leeftijd, heeft Schiele zijn eerste tentoonstelling, in Klosterneuburg.
Schiele toont zich een rebel op de Akademie. Hij komt al snel in aavaring met de conservatieve professor Griepenkerl, en waagt het - in een petitie met dertrien vragen - te betwijfelen of Griepenkerl het wel altijd bij het rechte eind heeft:
'Zijn avonden en nachten geen natuurlijk licht? Is alleen natuur wat door meneer professor als zodanig wordt erkend?'
Griepenkerl op zijn beurt voegt Schiele toe:
'De duivel heeft U in mijn school gescheten.' Waarvan akte.
In 1909 verlaat Schiele de Academie. al na het derde semester. Hij vindt een appartement en een atelier, en begint te schilderen wat hem interesseert: pubers, en met name pubermeisjes. Paris von Guetersloh, collega van Schiele, beschrijft hoe deze pubers Schieles atelier bevolkten:
'Ze sliepen er, ze kwamen er bij van de lijfstraffen ["Prügel"] die ze van hun ouders kregen, hingen er rond - wat ze thuis niet mochten - ze kamden hun haar, trokken hun jurken omhoog of omlaag, trokken hun schoenen aan of uit... als dieren in een kooi die hun bevalt, deden ze waar ze zin in hadden, of dachten dat tenminste.'
![]()
Schieles atelier is, kortom, een hangplek, een toevluchtsoord voor hangjongeren en weglopers. Daaraan was Wenen rijk genoeg, met zijn repressieve opvoeding en zijn vele seksuele misbruik en armoede. Schiele pretendeert in deze tijd overigens in extreme armoede te leven, als een 'ware kunstenaar', maar foto's en getuigenissen uit deze tijd vertellen een ander verhaal. In de portretten en zelfportretten die Schiele daar produceert vindt hij voor het eerst een eigen stijl.
Vanaf 1909 produceert Schiele aan de lopende band tekeningen van vrouwelijke modellen, en veel daarvan zijn onverbloemd erotisch. Deels voorziet hij ook pornografieverzamelaars van materiaal, en zo zichzelf van levenstocht. Er bestond in Wenen een levendige handel in dit soort afbeeldingen. Schieles werk bevindt zich steeds op de grens van het openbaren van het seksuele, in een maatschappij die als geen ander seksuele taboes heiligde, en een bepaalde ranzige interesse in het vieze en voze. Daarnaast fabriceert hij doorlopend zelfportretten, waar de narcistische obsessie met zichzelf en zijn roerselen vanaf druipt.
Opvallend aan Schieles afbeeldingen van het (vrouwelijk) lichaam is, naast het erotische van veel voorstellingen, de richting vanuit welke Schiele zijn modellen portretteert, en de houdingen die ze aannemen. Schiele kiest bijvoorbeeld vaak voor een vogelperspectief, waarbij hij de lichamen, die zich plat op de bodem bevinden, van bovenaf weergeeft. In zijn atelier gebruikt hij een ladder om de modellen vanuit de lucht te kunnen zien. Het klassieke perspectief - frontaal, van dezelfde hoogte als het object, waarbij het object zich in het midden vindt en in zijn geheel wordt afgebeeld - wordt verlaten. Soms verdwijnt het afgebeelde ook voor een deel uit zicht.
Naakt (1913)
Gouache en potlood, ca. 40 x 30 cm.
Verkocht voor $339,500 bij Phillips, 2002Ook de houdingen waarin Schiele zichzelf en anderen schildert zijn "anders". De modellen lijken zich vaak in onmogelijke posities te hebben gemanoeuvreerd. Die verwrongenheid geeft de beelden een sterke spanning. Terwijl een "klassieke" schilder - en Klimt hoort eigenlijk ook nog in dat hokje thuis - de mens een zo natuurlijke mogelijke, perfecte houding geeft, als uitdrukking van een humanistisch ideaal, dwingt Schiele de mensen in allerlei bochten. De implicatie daarvan is duidelijk: waar bij Klimt het ideaal nog overheerst, laat Schiele zien hoe de mens in werkelijkheid in keurslijven gedwongen wordt, en daar op allerlei manieren uit probeert te ontsnappen.
Menselijke waardigheid is in Schielse (impliciete) opvatting niet meer het voornaamste, de (seksuele) werkelijkheid wel. Lelijkheid is vaak helemaal niet meer taboe, bijvoorbeeld in bovenstaand zelfportret. Zoals de dissonant in de Weense moderne klassieke muziek steeds meer terrein wint, zo wordt in het vroege werk van Schiele (en ook Kokoschka) het lelijke ruim baan gegeven, en bij Schiele soms weer geësthetiseerd tot een nieuw soort schoonheid - de schoonheid van het lelijke.