Schreker, Krenek, Korngold
De
"Tweede Weense School", de groep componisten die in meer-
of mindere mate door Schönberg is beïnvloed, en hun werk zijn
zo omvangrijk dat je alleen al daaraan meerdere boekwerken zou kunnen
wijden. De redenen waarom Schönberg zoveel invloed, zo'n grote
doorwerking heeft gehad zijn velerlei. Allereerst was hij natuurlijk
als componist baanbrekend, met zijn "ontdekking" van eerst
de atonale, daarna de twaalftoonse muziek. Veel van zijn leerlin gen
putten echter ook nog uit de laat-romantische bron, waar Schönberg
zich in het begin ook aan laafde. Daarnaast was Schönberg een goed
leraar en stimulator, die mensen om zich heen verzamelde en wist te
houden. Ook andere componisten rondom hem - Zemlinsky, Schreker, Berg-
werkten weer als docent, hetgeen de "spin off" van de Tweede
Weense School weer vergrootte. En ten slotte versterkte Schönberg
zijn invloed eens te meer door zijn geschriften, in het bijzonder zijn
Harmonielehre, die velen tot compositiebijbel dient.
Vanwege die grote reikwijdte van de Tweede Weense School is het onmogelijk
hier alle leden te behandelen. We zullen ons beperken tot een korte
bespreking van drie van hen: Franz Schreker, Ernst Krenek en Erich Korngold.

Franz
Schreker (*23 maart 1878 Monaco, +21 maart 1934 Berlin), eigenlijk Schrecker,
was de zoon van een joodse hoffotograaf. Zijn vader Ignaz Schrecker
(de componist schrapte de “c” later uit zijn naam) was fotograaf
en reisde Europa af: zo was hij, voor de geboorte van zijn zoon, korte
tijd hoffotograaf geweest van de Belgische koning Leopold I en had ateliers
in Brussel en Spa. Nadat het gezin in 1883 was teruggekeerd naar Linz
en, na het overlijden van Ignaz Schrecker in 1888, naar Wenen, studeerde
Franz Schreker compositie aan het conservatorium van Wenen bij Robert
Fuchs, die ook Alexander Zemlinsky tot zijn studenten mocht rekenen.
Hij promoveerde in 1900. In 1907 richtte hij het Filharmonische
Koor van Wenen op en hij bleef er dirigent van tot 1920. Het koor specialiseerde
zich in de eigentijdse avant-garde en zong onder aandere de première
van Arnold Schönbergs Gurrelieder. Schreker was
hierbij overigens de algemene dirigent, een huzarenstuk gezien de gigantische
omvang van de orkestpartituur.
Als
componist beleefde Schreker zijn doorbraak met de pantomime
Der Geburtstag der Infantin (1908). Dit succes en resulteerde
in een lucratief contract met Universal Edition: hij zou er tot eind
de jaren twintig trouw aan blijven. Een mijlpaal in Schrekers oeuvre,
en bij uitbreiding in de hele 20ste eeuwse operaliteratuur, was de opera
Der ferne Klang (1912), een werk dat Schreker v naam
en faam bezorgde. De première werd extra glans bijgezet toen
Schreker kort nadien aangesteld werd als professor compositie, harmonie
en contrapunt aan de Weense Muziekacademie.
De opera
Die Gezeichneten (1918) beitelde Schrekers naam nog
prominenter in het pantheon van de modernistische operacomponisten.
Toen Paul Bekker, een toonaangevend muziekcriticus, in een aan de componist
gewijde controversiële monografie Schreker niet alleen vergeleek
met Richard Wagner, maar hem bombardeerde tot redder van de Wagneriaanse
impasse waarin de Duitse muziek zich had genesteld, was het hek van
de dam: men kon voortaan spreken van ‘Der Fall Schreker’.
De betoverende muziek van de prelude, op zich al een voorbeeld van de
magische orkestratie waarvoor hij bekend en berucht was, zorgde inderdaad
voor een ongeziene toeloop richting operagebouwen. Operahuizen vochten
letterlijk om de premières van zijn nieuwe werken, en zijn opera’s
kenden per seizoen tot zeven verschillende producties. Gemeten naar
het aantal opvoeringen liet hij zelfs Wagner en Richard Strauss achter
zich. De première van Der Schatzgräber
(1920) was het hoogtepunt van Schrekers carrière en, net zoals
bij Der ferne Klang, kon hij ook nu een nieuwe eervolle benoeming vieren:
hij werd directeur van het, op dat moment, meest prestigieuze muziekinstituut
ter wereld, de Hochschule für Musik in Berlijn.

Schreker op latere leeftijd
Nu
werd de Weimarrepubliek gekenmerkt door instabiliteit, zowel op politiek,
economisch als cultureel gebied. Op den duur verloren de - vaak overdadige,
feeërieke - opera's, ook die van Schreker, het contact met de siociale
realiteit van inflatie, bandeloosheid en armoede. Schrekers zesde opera
Irrelohe (1924) ontsnapte niet aan dit robleem en werd
maar lauw ontvangen. Naarmate zijn invloed als pedagoog toenam, ging
het met zijn populariteit als componist bergafwaarts: Der singende
Teufel (1928) was een fiasco, en het zo lucratieve contract
met Universal Edition werd opgezegd.
Het opkomende nazisme ging nu een directe rol spelen in Schrekers leven
en muziek. Extreem-rechtse demonstraties tijdens de première
van Der Schmied von Gent (1932), en nazi-druk zorgden
voor het annuleren van de première van Christophorus.
De vernederingen volgden elkaar nu snel op: in 1932 werd hij verplicht
ontslag te nemen aan de Hochschule, waarop hij een master class opnam
aan de Pruisische Akademie. Hier werd hij in 1933 op non-actief gesteld
en officieel ontslagen in september van dat jaar. Onteerd, vernederd
en moreel gebroken kreeg hij in december 1933 een hartaanval, waaraan
hij uiteindelijk twee dagen voor zijn zesenvijftigste verjaardag overleed.
Schrekers
muziek is hoog-dramatisch, en heeft als thema eigenlijk steeds de zelfontdekking
van de mens. Het volmaaktste voorbeeld hiervan is Der ferne
Klang. Het is het verhaal van de componist Fritz, net als Schreker
zelf op zoek naar "der reine Klang (een "zuivere klank"),
die om deze reden - hij heeft wel wate beters te doen! - het meisje
Grethe afwijst. Later schrijft Grethe, inmiddels courtisane geworden,
een wedstrijd uit: wie het mooiste lied schrijft mag de nacht met haar
doorbrengen. En wie wint? Fritz natuurlijk! Als hij ontdekt wie hij
gewonnen heeft keert hij zich vol afschuw af. Weer later, nadat zijn
opera "Die Harfe" totaal mislukt, ziet Fritz pas in dat hij
Grethe - inmiddels tippelaarster - nooit had mogen desavoueren. Ze sterft
van uitputting in zijn armen. Nu pas keert Fritz terug uit de schijnwereld
- zie Andrian, von Hofmannsthal! - waarin hij al die tijd gevlucht is.

Der
ferne Klang heeft veel van de "laatste romantiek"
van Mahler en vooral Schönberg: heel veel moduleren aan de rand
van de tonaliteit, weelderige orkestratie. Arnold Schönberg citeert
dan ook uit deze opera in zijn Harmonieleer, en de opera had grote invloed
op de jonge Alban Berg die er, in die tijd geldend als ultieme vorm
van respect, een pianoversie van maakte. De zangstemmen daarentegen
klinken meer naar belcanto, in de geest van Puccini.
Schreker
viel, met Zemlinsky en Korngold, de twijfelachtige eer te beurt aanwezig
te zijn op de beruchte tentoonstelling Entartete Kunst,
een poging van het nazi-regime om het ‘Joodse element’ in
de kunst als ontaard en fundamenteel on-Duits te brandmerken (ironisch
genoeg kende deze tentoonstelling een dusdanig succes en toeloop van
bezoekers dat ze vroegtijdig werd stopgezet). Zo werd Schreker verweten
dat “er geen seksuele afwijking was die hij niet op muziek heeft
gezet”. Zijn werk had bovendien te lijden van naoorlogse onverschilligheid:
de kritiek die de nationaal-socialisten hadden verspreid bleek algemeen
te worden overgenomen door de toen toonaangevende musicologen. De Mahler-revival
van de jaren zestig en het daaropvolgende eerherstel van Schreker, Zemlinsky,
Berg en alle andere vergeten meesters brachten een kentering teweeg.
Erich
Wolfgang Korngold werd op 29 mei 1897 in Brünn (nu Brno)
geboren als oon van de muziekcriticus Julius Korngold, die als opvolger
van Eduard Hanslick voor de Neue Freie Presse schreef. ijn eerste leraar
was Robert Fuchs, later namen Alexander von Zemlinsky en Hermann Grädener
die rol over. Als elfjarige baarde hij al opzien door de compositie
van muziek bij een pantomimballet, Der Schneemann. In
1910 - Korngold was toen 13 - werd deze muziek in een choreografie van
Carl Godlewski aan de Wiener Hofoper opgevoerd. zo stond Korngold als
vroeg als wonderkind bekend en werd door de Weense aristocratie gesponsord.
In hetzelfde jaar schreef korngold al painosonates, later ook theaterouvertures
en symfonieën. Er waren ook opvoeringen van zijn werk door grootheden
als Bruno Walter, Artur Schnabel, Arthur Nikisch, Wilhelm Furtwängler,
Felix Weingartner en Richard Strauss. Korngolds
opera's Der Ring des Polykrates en Violanta
(beide uit 1916) en vooral Die tote Stadt (1920) werden
grote successen en maakte Korngold tot de meestgespeelde componist van
zijn tijd. De aria Glück, dass mir verblieb (Marietta's
Lied) uit de laatste opera werd een veel uitgevoerde klassieker.
In
1934 volgde Korngold zijn eerder geëmigreerde vriend Max Reinhardt
naar Hollywood, om daar voor diens film A Midsummer Night's
Dream de muziek te schrijven. Krongold bleef hangen, en kon
na de Anschluss ook niet meer naar huis. Hij vroeg en kreeg (in 1943)
het Amerikaanse staatsburgerschap. Zo begon zijn tweede carrière,
als cfilmcomponist voor Warner Brothers. Korngold was een van de eersten
die speciaal voor films muziek componeerden. Tegelijk herinneren zijn
"scores" nog sterk aan klassieke symfonieën, maar de
muziek is wel steeds op de bijbehorende scène toegesneden. Het
leverde hem twee Oscars op, in 1936 voor de muziek bij Anthony
Adverse, in 1938 voor The Adventures of Robin Hood.
In totaal schreef Korngold tussen 1935 en 1957 muziek voor 19 films,
onder andere voor The Sea Hawk. Pogingen om na de Tweede
Wereldoorlog ook weer zijn naam in het schrijven van "absolute"
muziek te vestigen mislukten echter. De denazificatie van de muziekwereld
begon pas langzaam in de jaren zestig, zodat in Oostenrijk en Duitsland
lang een kunstkritiek vigeerde die negatief stond tegenover "ontaarde",
joodse muziek, bovendien van emigranten die in de VS succes hadden.
Pas eind twintigste eeuw werd de muziek van Korngold - en van Schreker
en Krenek - in het zog van de Mahler-revival in ere hersteld.

Met Ernst
Krenek raken we ver verwijderd van Wenen 1900. Weliswaar werd
hij wel nog, precies in 1900,op 23 augustus in Wenen geboren, hij overleed
helemaal aan het einde van de eeuw (op 22 december 1991) en aan het
andere eind van de wereld (in Palm Springs, Califonië). Ernst Krenek
was de zoon van een officier en begon op zijn zestiende met een studie
compositie, bij Franz Schreker in Wenen. In 1920 volgde hij zijn leraar
naar Berljin, waar hij in gezelschap van componisten als Ferruccio Busoni,
Hermann Scherchen en Eduard Erdmann verkeerde. Uit deze tijd dateren
zijn vroegste werken, bijvoorbeeld de komische opera Der Sprung
über den Schatten, in een heel eigen vorm van atonaliteit
geschreven. Na een tweejarig verblij in Zwitserland (van 1923 tot 1925)
trok Krenek naar Paris, waar hij, onder invloed van Strawinsky, een
meer geëngageerde en onderhoudende stijl van componeren aanneemt.
Als hij daarna naar Kassel trekt, waar hij van 1925 tot '27 assistent
van Paul Bekker is aan de Staatsoper Kassel, leidt dit tot het onsttaan
van zijn grootste suvcces, de zogenaamde „Jazz-Oper“
Jonny spielt auf. Dit was een van de meest gespeelde opera's
van het Interbellum en leverde Krenek internationale beroemdheid op.
Krenek
trouwde in 1924 met Anna Mahler, de dochter van Gustav Mahler. Na zijn
scheidign en tweede huwelijk met actrice Berta Hermann keerde hij naar
Wenen zurück.Daar hield hij zich eerst sterk met de muziek van
Schubert bezig, hetgeen leidde tot een neoromantische fase in zijn werk,
getuige de opera Das Leben des Orest en de liederencyclus
Reisetagebuch aus den österreichischen Alpen
(beide uit 1929). Meteen daarna wijdde hij zich echter ineens aan Arnold
Schönbergs dodekafonie, die in de jaren daarna weer Kreneks werk
zou bepalen.
Vanaf Jonny
spielt auf was Krenek een zwart schaap voor de Nationaalsocialisten,
een „Kulturbolschewist“. Daardoor werd zijn werk na de machtsovername
van 1933 verboden. In reactie hierop bekeerde Krenek zich tot het katholicisme,
en schreef (wel in twaalftoons-muziek) de opera Karl V.
De première daarvan, in 1934 in Wenen, werd echter verhinderd,
en vond pas in 1938 in Praag plaats.
In die omstandigheden emigreerde Krenek in het jaar van de Anschluss
naar de Verenigde Staten, waar hij tot zijn dood leefde. In die tijd
was hij veel als muziekdocent actief, trouwde een derde keer (in 1950,
met de componiste Gladys Nordenstrom), componeerde vlijtig verder (bijvoorbeeld
het koorwerk Lamentatio Jeremiae prophetae uit 1941,
en de opera Pallas Athene weint uit 1955), interesseerde
zich vanaf 1956 voor seriële muziek (het Pinksteroratorium Spiritus
intelligentiae sanctus) en in de zestiger jaren voor elektronische
muziek).
Tot
op late leeftijd bleef hij componeren, en, ook weer in Europa, uitvoeren.
Krenek componeerde in bijna alle denkbare stijlen die de twintigste
eeuw heeft gekend. Na zijn dood werden zijn overblijfselen in een eregraf
in Wenen bijgezet.