Arthur Schnitzler (geboren op 15 mei 1862 in Wenen, daar ook op 21 oktober 1931 gestorven) was het oudste kind van een uit Boedpast stammende Weense (keel)arts, professor Johann Schnitzler. Ook Arthur studeerde geneeskunde, hij promoveerde in 1885. Daarna was hij tot 1888 arts in Wenens Allgemeines Krankenhaus, en assistent van zijn vader in de polikliniek tot diens dood in 1893. Schnitzler jr. opende toen een privépraktijk, die hij ondanks toenemende literaire activiteit nooit zou opgeven. Ook was en bleef hij redakteur van het medisch weekblad van zijn vader, de »Internationale Klinische Rundschau«.

Schnitzler is (samen met Musil en Roth) de schrijver die de Oostenrijkse maatschappij, het Kakania van rond 1900 het beste genalyseerd heeft. Veel stukken beginnen met de aanduiding “Wien Gegenwart.” Als een chirurg fileert hij de zieke patiënt, zonder pardon, als een harde heelmeester die stinkende wonden openmaakt, móet openmaken. Schnitzler schept er een bijna sadistisch genoegen in zijn pen te dopen, resp. zijn mes te steken in de plekken waar het pijn doet. Hij is de Grote Ontmaskeraar van het Bal Masqué. Dat komt hard aan, hij maakt meer vijanden dan vrienden.

Als media voor zijn literaire kritiek gebruikt hij vooral de novelle en het toneelstuk – vooral de eenakter. De eerste grote Oostenrijkse doorligwond die hij constateert zit in de autoritaire gezagsverhoudingen en de hypocriete cultus van eer, die de hele maatschappij en met name het leger doortrekt. In de vertelling Lieutenant Gustl (1901) maakt Schnitzler hier gehakt van. Lieutenant Gustl is namelijk helemaal niet wie hij zich voordoet - een man van eer en beschaving. Het enige dat hem interesseert is dat anderen dat denken, en dat hij zijn biertje en zijn pleziertje krijgt. Maar in de garderobe van het theater wordt hij simpel vernederd door een bakkersknecht die zijn sabel (!) vastpakt: Gustls eer is geknakt.
De code zegt nu dat hij zelfmoord moet plegen, maar daarvoor ontbreekt hem de moed. Bovendien: heeft iemand de scène gezien? Als niemand weet dat zijn eer geschonden is, wat maakt het dan uit?
Via de vorm van de monologue intérieure, een “bewustzijnsstroom” avant la lettre, volgen we de arme August, die verward door het nachtelijk Wenen. Maar gelukkig - Hoera! Deus ex machina! – de bakkersknecht blijkt gestorven, een hartstilstand: eer gered, niks aan de hand. En als weer een burger iets onwelgevalligs doet kan Gustl zijn sabel wel trekken, onder de woorden – de laatste van het verhaal:

“Dich hau’ ich zu Krenfleisch!”, “Van jou maak ik gehakt!”
(Krenfleisch is eigenlijk een typisch Weens gerecht met mierikswortel, “Kren”).


Lieutenant Gustl leverde Schnitzler zijn eerste schandaal op: wegens belediging van de krijgsmacht werd hem zijn officiersrang ontnomen wegens Verletzung der Standesehre. “Das Militär” interpreteerde het stuk - misschien niet ten onrechte - als een beschrijving van haar stand in het algemeen: geen moedige, opofferingsgezinde stand, maar een narcistische en hedonistische. Lieutenant Gustl is een geweldig boekje, dat politieke urgentie en explosieve beknoptheid paart aan een prachtige vorm en een hoop humor.

Schnitzlers volgende schandaal volgde Reigen (Reidans, 1903; geschreven 1896-97), het klassieke toneelstuk over seksualiteit. Het stuk hoort, als de andere kant van één medaille, bij het vlak daarvoor geschreven Liebelei, een ironische titel (“Schatje”) dat de lading niet dekt. Want de vrouwelijke hoofdpersoon is nu juist geen snolletje, maar een eerlijk, naïef-verliefd meisje dat de dupe wordt van de machinaties van de cynische Fritz.
In Reigen hebben twaalf Weners in twaalf episoden vluchtige seks met elkaar: deerntje met soldaat, soldaat met dienstmeisje, dienstmeisje met jongeheer enzovoorts – tot de graaf het weer doet met het derntje). Alle sociale groepen zijn in elkaar verknoopt, als in een soort seksuele rattenkoning. Dit beeld van Weners als oversekste hedonisten viel natuurlijk evenmin goed. Het preutse burgerdom stoorde zich eraan dat deze werkelijkheid überhaupt genoemd werd – dat Schnitzler er impliciet weinig waardering voor opbrengt was een subtiliteit die hun waarschijnlijk ontsnapte. De eerste opvoeringen, in 1920 in Berlijn, zorgden voor tumult en rechtszaken.

Ook later werk van Schnitzler (Der einsame Weg, Zwischenspiel, Das Weite Land, ook Fraulein Else en Traumnovelle) gaat in op de plaats van seksualiteit in onze maatschappij: seksueel bedrog en zelfbedrog spelen de hoofdrol, vaak in de context van de dwang die de maatschappij ons oplegt.

Professor Bernhardi (1912) is Schnitzlers laatste ophefmakende werk. Opvoering was tijdens de monarchie strikt verboden, pas na 1918 mocht het op de bühne. Hier wordt het rond 1900 in de Dubbelmonarchie wijdverbreide anti-semitisme op de korrel genomen. De titelfiguur is een geassimileerde jood, het hoofd van een ziekenhuis dat hij met een aantal collega’s heeft opgericht. Op een dag verbiedt hij een priester om een meisje, dat niet weet dat ze snel zal sterven, het (katholieke) sacrament der zieken toe te dienen. Dit kleine incident is voor tal van autoriteiten aanleiding om Bernhardi te “pakken”. Hij wordt achtereenvolgens afgezet, veroordeeld en totaal vernederd. De zaak wordt ook politiek op de spits gedreven en haalt het parlement, en de kabinetten van ministers.

Schnitzler had goed om zich heen gekeken, in de kliniek, maar hij wist ook hoe precair de situatie van (ook geassimileerde) joden was, en wat de risico’s van een joodse arts konden zijn. Typisch is wel dat het politiek-ideologische aspect an sich hem hem minder interesseert. Verhalen als dit waren voor Theodor Herzl aanleiding waren om tot de onmogelijkheid van joodse assimilatie te besluiten, en een Judenstaat uit te vinden. Schnitzler trok geen (politieke) conclusies. Hij keek meer naar het psychologische: wat maken ideeën los bij daders en slachtoffers, en hoe rationaliseren zij vervolgens hun houding? Dat thema, de macht van (het manipuleren van) ideeën,

Het is om deze reden dat Schnitzler vaak met Freud wordt vergeleken, en deze beide joodse artsen waren zich van de gelijkenis bewust. Freud las Schnitzler graag, en noemde hem wel eens “mijn dubbelganger”, die volgens Freud "zo maar" allerlei dingen op literaire wijze aan de orde stelde, die Freud naar eigen zeggen met veel moeite na jarenlang onderzoek distilleerde. Andersom was de waardering iets minder groot. Schnitzler vond Freud een beetje monomaan, en constateerde een overmatige neiging tot systematiseren. Maar voor de externe waarnemer zijn de overeenkomsten groter: bij beiden is er steeds die destructieve spanning tussen “wat naar buiten gezegd wordt” en “wat er echt leeft”.

In het algemeen was het Schnitzler dus erom te doen de sluiers van ons gedrag op te lichten, de “ware aard” ervan ten toon te stellen. Neem het volgende stukje uit de roman Der Weg ins Freie (1908):

"Vom Turm der Michaelerkirche schlug es neun, als Georg vor dem Kaffeehaus stand. An einem Fenster, das der Vorhang nicht verhüllte, sah er den Kritiker Rapp sitzen, einen Stoß Zeitungen vor sich auf dem Tisch. Eben hatte er den Zwicker von der Nase genommen, putzte ihn, und so sah das blasse, sonst so hämisch-kluge Gesicht, mit den stumpfen Augen wie tot aus. Ihm gegenüber, mit ins Leere gehenden Gesten, saß der Dichter Gleißner, im Glanze seiner falschen Eleganz, mit einer ungeheuern, schwarzen Krawatte, darin ein roter Stein funkelte. Als Georg, ohne ihre Stimmen zu hören, nur die Lippen der beiden sich bewegen und ihre Blicke hin- und hergehen sah, fasste er es kaum, wie sie es ertragen konnten in dieser Wolke von Hass sich eine Viertelstunde lang gegenüberzusitzen.
Er fühlte mit einem Mal, dass dies die Atmosphäre war, in der das Leben dieses ganzen Kreises sich abspielte, und durch die nur manchmal erlösende Blitze von Geist und von Selbsterkenntnis zuckten. Was hatte er mit diesen Leuten zu tun? Eine Art von Grauen erfasste ihn, er wandte sich ab und entschloss sich, statt ins Kaffeehaus zu gehen, endlich wieder einmal den Klub aufzusuchen, dessen Räume er seit Monaten nicht betreten hatte. Es waren nur wenige Schritte bis dahin. Bald stieg Georg die breite Marmortreppe hinauf, begab sich in den kleinen Speisesaal mit den lichtgrünen Vorhängen und wurde von Ralph Skelton, dem Attaché der englischen Botschaft, und Doktor von Breitner, die in einer Ecke beim Souper saßen, als ein lang Vermisster mit gedämpfter Herzlichkeit begrüßt. Man sprach von dem Turnier, das bevorstand, von dem Bankett, das zu Ehren der ausländischen Fechtmeister veranstaltet werden sollte; plauderte über die neue Operette am Wiedner Theater, in der Fräulein Lovan als Bajadere beinahe nackt aufgetreten war, und über das Duell des Fabrikanten Heidenfeld mit dem Leutnant Novotny, in dem der beleidigte Ehemann gefallen war."

Schnitzler is een bij uitstek modern schrijver: tegenover de schijn – de twee die “in deze wolk van haat een kwartier lang tegenover elkaar zitten” – plaats hij altijd de waarheid, de werkelijkheid – de observator die hun spelletje doorziet en zich afvraagt hoe ze het verdragen; de “flitsen van geest en zelfkennis”. Daarmee lijkt Schnitzler ook altijd degene die wél de waarheid in pacht heeft, en die vanuit die superieure positie het gepeupel, ver beneden zich, “afzeikt”. Talrijk zijn in zijn werk de “süsse Mädel” uit de “Vorstadt”, waarmee hij in zijn echte leven niets van doen wilde hebben. Schnitzler had talloze relaties, maar dan wel met dames van stand; of hij “seksueel” zoveel anders was dan de figuren uit Reigen is dus de vraag.
De superioriteit maakt Schnitzlers schrifturen minder sympathiek. Ook in dat opzicht lijkt Schnitzler op Freud, die zich, zeker qua “waarheid”, ver verheven voelde boven de arme luizen die daar beneden op de sofa lagen.

Probleem is volgens Schorske dat Schnitzlers werk te relativerend is om tragisch te kunnen zijn. Kleine verhalen met open eindes zijn kenmerkend. Ook ontbreekt een alternatief voor – of ten minste een verandering, een bijstelling van – het neergesabelde Oostenrijk van zijn tijd. Dat formuleerde Schnitzler niet – dit in tegenstelling tot von Hofmannstal. Veel meer hebben Schnitzlers stukken en figuren iets berustends, gelatens
Anderzijds: dit is helemaal niet Schnitzlers plicht. Impliciet maken Gustl, Reigen en Bernhardi wel degelijk duidelijk waar het Oostenrijk aan schortte: respectievelijk aan eerlijkheid, aan “echte liefde” en aan tolerantie. Schnitzler zelf bekeerde zich overigens op latere leeftijd hoe langer hoe meer tot de waarden die zijn vader vroeger verdedigde, en waartegen zoonlief zich lang verzette: Bildung, een arbeidzaam leven. ...

Daar komt bij dat Schnitzler, in zijn precieze beschrijvingen van situaties en beweegredenen, die tegelijk bij het realisme aanknopen en met hun bewustzijnsstromen aan de moderniteit, ons een intieme kijk geeft op zijn stad en zijn tijd:
“Wie het aura van een plaats, van zijn mensen en dingen kan pakken, vormen en vastleggen, schept die plaats, zijn mensen en dingen nog een keer”,
zo zegt Heimito von Doderer over Schnitzler. En, ook heel belangrijk: die kijk is in geen enkel opzicht verouderd, nog steeds amusant. Schnitzler lezen voelt alsof de inkt nog vers is.

Werk:
1892 Anatol (Sammlung von Einaktern)
1894 Das Märchen (Drama)
1895 Liebelei (Schauspiel)
1895 Sterben (Novelle)
1898 Freiwild (Drama)
1898 Die Frau des Weisen (Erzählungen)
1899 Der Sohn (Novelle)
1899 Das Vermächtnis (Drama)
1899 Der grüne Kakadu (Drama)
1899 Paracelsus (Drama)
1899 Die Gefährtin (Drama)
1901 Der Schleier der Beatrice (Drama)
1901 Frau Berta Garlan (Erzählung)
1901 Lieutnant Gustl (Novelle)
1902 Lebendige Stunden (Dramen)
1903 Reigen (Szenen)
1904 Der einsame Weg (Schauspiel)
1905 Die griechische Tänzerin (Erzählungen)
1906 Zwischenspiel (Drama)
1906 Der Ruf des Lebens (Drama)
1906 Marionetten (Dramen)
1907 Dämmereelen (Erzählungen)
1908 Der Weg ins Freie (Roman)
1909 Komtesse Mizzi oder Der Familientag (Drama)
1909 Der tapfere Kassian (Singspiel)
1910 Der junge Medardus (Drama)
1910 Der Schleier der Pierrette (Pantomime)
1911 Das weite Land (Tragikomödie)
1912 Masken und Wunder (Erzählungen)
1912 Professor Bernhardi (Komödie)
1913 Frau Beate und ihr Sohn (Erzählung)
1915 Komödie der Worte (Dramen)
1917 Doktor Gräsler, Badearzt (Erzählung)
1917 Ich (Erzählung)
1917 Fink und Fliederbusch (Drama)
1918 Casanovas Heimfahrt (Erzählung)
1919 Die Schwestern oder Casanova in Spa (Drama)
1924 Fräulein Else (Erzählung)
1924 Die dreifache Warnung (Erzählungen)
1924 Komödie der Verführung (Drama)
1925 Die Frau des Richters (Erzählung)
1926 Die Traumnovelle

Gebruikt gemaakt van:- Viktor Zmegac, “Die Wiener Moderne”;uit Geschichte der Deutschen Literatur, uitg. door Viktor Zmegac,Beltz-Athenäum, Berlin 1999.- Anne-Catherine Simon, “Schnitzlers Wien”;Pichler Verlag,