De Wiener Werkstätte - een korte geschiedenis

De Wiener Werkstätte werd in 1903 door Josef Hoffmann, Koloman Moser en mecenas Fritz Wärndorfer opgericht. Het was een productiegemeenschap van beeldende kunstenaars, die - in samenhang met de Weense "Kunstgewerbeschule", waar Moser en Hoffmann doceerden, en de mede door Hoffmann opgerichte Secession - een vernieuwing van de toegepaste kunst op basis van ambachtelijke kwaliteit nastreefde. Op die manier werd Wenen ineens een centrum, of even zelfs hét centrum, voor een nieuwe smaak op het gebied van vormgeving.

De aanleidingen voor de plotselinge verschijning van een nieuwe designschool in Wenen zijn in elk geval te vinden in de sociaal-economische situatie rond 1900. De Ringstrasse was "af", vergelijkbare projecten dienden zich niet aan. Daarbij was de economische vitaliteit van de Dubbelmonarchie gering. De nieuwe generatie architecten werd daarom grotendeels "teruggeworpen op privéwoningen als virtueel hun enige professionele uitlaatklep", aldus Schorske (in Jane Kallir, o.c. 8). Daar probeerde men alle gebieden van de wooninrichting en leefcultuur, van de architectuur tot aan het kleinste gebruiksvoorwerp, artistiek gaan ontwerpen en artisanaal gaan produceren.

Wagners concept van het Gesamtkunstwerk, de combinatie van allerlei middelen om de kunst en het leven tot een congruent geheel te smeden, speelde hierin een grote rol. Hermann Bahrs roep om een moderne, Oostenrijkse stijl, die de moderne ziel moest spiegelen, die voor een reveil moest zorgen, was hiervan slechts een afgeleide. Opgemerkt zij hoogstens dat het Wagner meer ging om een voorstelling van het werelddrama, en Bahr meer om een narcistische aankleding van het zelf, voor de sensibele Gefühlsmensch.
Nota bene dat deze gedachtenwereld, geheel naar Oostenrijkse aard, wezenlijk theatraal van aard is: "de architect is een dirigent", aldus Bahr, en zeker geen dienaar. Bahr had ook praktische ideeën, hij bedacht al in 1899 "een grote organisatie om kunst en ambacht te verbinden... een kolonie van werkplaatsen waar kunstenaars werken met ambachtslieden, hen onderwijzend en van hen lerend, ambacht groeiend uit kunst, kunst uit ambacht." En dat is precies wat de Werkstätte zou doen.

Toen de Kunstgewerbeschule en het Oesterreichische Museum für Kunst und Industrie in het laatste decennium van de negentiende eeuw Secessionistische directeuren kregen ontstond er langzamerhand een voedingsbodem voor een Oostenrijks design. Op dat moment werd er in Wenen, bijvoorbeeld door Moser, al het een en ander in Art Nouveau stijl ambachtelijk ontworpen en geproduceerd, maar er bestonden geen vaste kanalen om binnenhuisarchitectuur in grotere aantallen te fabriceren, laat staan wegen om deze producten bij de klant te krijgen (Kallir, 25). Elders vervulden werkplaatsen en galerieën deze rollen, in Wien bleven individueel werk en direct contact tussen kunstenaar en patroon dominant.
Die modus kende zijn problemen, gezien het slepende conflict tussen Klimt en de Weense universiteit en de vlucht van Schiele en Kokoschka naar Duitsland. De Secession en de Werkstätte waren pogingen de kunstverkoop in eigen handen - die van de kunstenaars - te krijgen. Daarmee werd het conflict met de markt (i.c., de patroon) verkleind, maar het conflict tussen kunst en rentabiliteit zou blijven bestaan.

Als voorbeelden voor een dergelijke ambachtelijke productiegemeenschap fungeerden Engeland en Schotland, en met name de Arts & Crafts beweging van Morris en Ruskin. Charles Rennie Mackintosh was de grote inspiratiebron. De Schot kwam naar Wenen, werd in een met bloemen versierde wagen de stad rondgereden, ontwierp een muziekkamer voor Fritz Wärndorfer, en was deze laatste bij de oprichting van de Werkstätte tot raad. Van de andere kant moet men Duitse voorbeelden (de Vereinigte en de Dresdner Werkstätte) en de specifiek-Oostenrijkse voorgeschiedenis niet vergeten. De laat-classicistische Biedermeier ontwierpen in het begin van de negentiende eeuw ook al strak meubilair en sobere interieurs.

Er waren dus zowel binnenlands als buitenlands genoeg voorbeelden om zich op te baseren. Maar dat de Werkstätte inderdaad ontstond was het gevolg van een koffiehuis-conversatie tussen de oprichters, eind 1902, over het artistiek klimaat, de noodzaak van een amachtelijke werkplaats en de kosten van zoiets. De vrijgevigheid van een paar Weners die een grote erfenis van hun industriële ouders konden beheren deed de rest: eerst Fritz Wärndorfer, na een surséance in 1914 Otto en Mäda Primavesi.


Zo te zien een eenvoudige garen-en-bandwinkel: de Werkstättewinkel in Wenen

De Werkstätte kon zich namelijk nooit echt bedruipen, al was bijvoorbeeld de modeafdeling veelal winstgevend. Men kon wel veel artikelen afzetten, hetgeen de oprichting van meerdere filialen in Wenen en in het buitenland mogelijk maakte (Karlsbad 1909, Marienbad und Zürich 1916/17, New York 1922, Berlin 1929). Maar men richtte zich met dure ambachtelijke producten op een smalle en labiele markt van koopkrachtige rijken, vaak Weens-joodse erfgenamen van industrieel kapitaal. Die erfenis van het patronagesysteem was de reden waarom de Werkstätte, na een relatief lang bestaan, in 1932 de activiteiten moest staken. De krach van '29 bleek uiteindelijk fataal.