Architectuur - Otto Wagner

 


Otto Wagner (1841-1918) studeerde aan het Polytechnikum in Wenen, de Königliche Bauakademie in Berlijn en de Weense Akademie voor beeldende Kunsten. Zijn praktische loopbaan begon Wagner als ontwerper van en investeerder in Ringstrassegebouwen. Op deze manier al vroeg financieel onafhankelijk geworden, begon Wagner, die zelf eigenlijk altijd al sterk economisch en functionalistisch dacht, kritiek op de Ringstrassearchitectuur te ontwikkelen.

In enkele gebouwen liet Wagner al vroeg een soberder alternatief voor de ornamentrijke historicisme zien. Met name de Länderbank (1882-1884) is, in een notedop weliswaar, een staalkaart van wat Wagner pas veel later zou kunnen laten zien. Ten eerste is er de gevel aan de straatkant, die boven een traditionele, verticale Ringstrasse neo-stijl heeft, maar beneden veel meer horizontaal is, als het ware om de continuïteit van de straat meer te benadrukken dan de pronk van het gebouw. Deze dualiteit van ornament en soberheid zal Wagner blijven kenmerken.

Daarnaast schiep Wagner achter de voordeur een trappartij, die veel meer dan gebruikelijk was gericht op gemak, op de beweging van stijgen en dalen, meer dan op pronk.


Vervolgens zien we een kassenhal met een voor die tijd nieuwe ijzer-met-glasoverkapping - de invloed van de Wereldtentoonstellingsgebouwen komt hier aan het licht -, maar ook klassieke zuilen om een halfronde tegelvloer. Kijken we ten slotte naar de binnenhof, dan gaat Wagner ineens nog veel verder: geen vensterbanken, geen terugwijkende ramen, maar een puur geometrische, ornamentsloze muur. De gevel is hier puur als functie gevat: pilaren, muurvlakken en grote, lichte ramen. Door de ronding en de verhoudingen van de oppervlakken houdt de architectuur toch kwaliteit. Wagner loopt hier decennia vooruit op het meest functionalistische werk van hemzelf, van Adolf Loos en van het Nieuwe Bouwen elders.

Opdrachten voor een nieuwe stadsplanning voor de stad Wenen (1890) en zijn aanstelling tot stadsbouwheer (1894) geven Wagner meer gewicht. In de laatste functie horen de bouw van de stadsspoorwegen en de kanalisering van de Donau tot zijn terrein. Tot 1901 werden tal van stations, bruggen en viaducten onder zijn leiding, en vaak naar zijn ontwerp, gebouwd: bijvoorbeeld het Karlsplatzstation, de Doeblingersteg, de overbrugging van de Wien en het keizerlijk paviljoen bij Schönbrunn horen daarbij. Steeds paart Wagner een functionalistische basis - rails, rechthoekige opbouw - aan een meer decoratieve, maar toch ook gestyleerde "bovenbouw".


Affiche ter ere van de opening van de Stadtbahn


Twee maal het keizerlijk station bij Schönbrunn


De Schemerlbrücke, een van Wagners vele bruggen.
Hier leerde hij de mogelijkheden van functioneel bouwen, en de rol van allerlei materialen daarbij kennen.


Lamp Station Gersthof


Het bekende Karlsplatz-station, 1899. Nog in de jaren zeventig door architectuurstudenten van de sloop gered