De Ringstrasse


Wenen 1827

"Kaiser Franz Joseph I. ordnete mit Handschreiben vom 20. Dezember 1857 ("Es ist mein Wille . . .") an, die das Stadtzentrum umschließenden Befestigungsanlagen niederzureißen, den Stadtgraben zu planieren, das Glacis zu verbauen, eine Verbindung der Inneren Stadt mit den 1850 eingemeindeten Vorstädten herzustellen und auf diese Weise die Stadt Wien zu verschönen: "Zu diesem Ende bewillige Ich die Auflassung der Umwallung und der Fortifikationen der inneren Stadt sowie der Gräben um dieselbe. (...)"

Bereits 1858 wurde am Donaukanal mit der Demolierung der Basteien begonnen. Am 31. Januar 1858 wurde ein internationaler Wettbewerb ausgeschrieben, an dem sich 85 Architekten und Stadtplaner beteiligten. Eine aus Architekten, Beamten und Offizieren zusammengesetzte Jury prüfte bis 3I. Dezember 1858 die eingelangten Entwürfe, wählte aus ihnen drei - von Ludwig Förster, Eduard van der Nüll und August Sicard v. Sicardsburg sowie Friedrich Stache - zur Prämierung aus, ließ jedoch, da keiner dieser Grundpläne in allen Einzelheiten den Vorstellungen entsprach, aus diesen durch ein Gremium von Fachleuten einen modifizierten Plan erstellen. Dieser "endgültige Entwurf" (der im Laufe der Jahre dennoch Veränderungen erfuhr, und zwar vor allem durch die Auflassung des Exerzier- und Paradeplatzes am Josefstädter Glacis, die Demolierung der Franz-Joseph-Kaserne und die daraus resultierende Freigabe des Stubenringviertels zur Verbauung sowie durch mehrfachen Standortwechsel einiger öffentlicher Gebäude) erhielt am 1. September 1859 die kaiserliche Genehmigung. Zur Ausführung der Planung wurde eine Stadterweiterungskommission eingesetzt."

Mit dem Bau des ersten repräsentativen öffentlichen Gebäudes, der Hofoper, begann jene "Ringstraßenära", die seither mythischen Glanz gewonnen hat und architektonisch mit den Perioden des klassischen und späten Historismus sowie ökonomisch mit dem Begriff der Gründerzeit ident ist. Lediglich am Stubenring, der erst am Beginn des 20. Jahrhunderts verbaut werden konnte, und bei Einzelobjekten begegnen wir auch sezessionistischen Bauten; infolge der Zerstörungen während des 2. Weltkriegs entstanden verschiedentlich moderne Gebäude. Durch ein glückliches Zusammentreffen optimaler Bedingungen auf allen Sektoren von Kunst und Städtebau sind in der Ringstraßenzone, in der sich der Bauwille des Hofes und des Großbürgertum manifestiert, eindrucksvolle Zeugnisse eigenständigen Bauschaffens entstanden. Der hohe künstlerische und bautechnische Rang der Gebäude ist heute unbestritten, die Wiener Ringstraße als "Gesamtkunstwerk" findet städtebaulich im Europa der 2. Hälfte des 19. Jahrhunderts keine vergleichbare Parallele. Die Straße ist rund 4 km lang, 57 m breit und von Alleen gesäumt. Sie wurde am 1. Mai 1865 feierlich eröffnet, jedoch erst unmittelbar vor dem I. Weltkrieg vollendet. Die beiden Endpunkte der Ringstraße sind entlang des Donaukanals durch den Franz-Josefs-Kai verbunden.

Zoals Carl Schorske laat zien ("Wenen in het fin de siècle", deel II) was de Ringstrasse een direct resultaat van de machtsgreep van de liberalen in de Dubbelmonarchie. Dat gebeurde rond 1860: de staat kreeg een grondwet, en haar hoofdstad Wenen viel aan de liberalen toe. Vanaf dat moment begonnen de liberalen de stad te hervormen, aan te passen aan hun waarden. Deze grootscheepse omvorming betekende in feite dat voor het eerst op deze schaal stadsontwikkeling werd toegepast: het moderne urbanisme ontstond. "Ringstrasse" werd synoniem voor het burgerlijk Wenen van 1860 tot 1890.

Wenen, een stad van een half miljoen inwoners, bestaat na 1848 nog uit een kleine binnenstad, omgeven door vestingwerken en een groot glacis, en enige buitenwijken. Na de Revolutie van 1848, waarin het leger zich voor Wenen heeft moeten terugtrekken, vindt het militaire apparaat dat de muren en werken moeten blijven staan, meer als verdediging tegen het volk dan tegen een ander leger. Maar econmische en urbane eisen blijken sterker, en in 1857 besluit keizer Franz Josef de stadsmuren neer te halen.


Panorama van de "Bastei", Leporello. Klik voor vergroting

Op de dichtgegooide stadgrachten en op het glacis ontstaan in de volgende dertig jaren de Ringstrasse en haar gebouwen. Samen met de Franz-Josefs-Kai vormt de Ringstrasse nu een gordel om de binnenstad, om het 1. Bezirk. In eerste instantie ontstaan in het braakliggend gebied nog symbolen van het absolutisme: de Votivkirche (gewijd aan de ontsnapping van de keizer aan een Hongaars-nationalistische kogel) en en het Arsenaal. Bovendien werd de Ring zestig meter breed, en kwam zo, net als de Parijse boulevards, tegemoet aan de eisen van het leger, dat snel moest kunnen bewegen en barricadering wilde voorkomen.
De jaren zestig brengen Oostenrijk echter een constitutionele monarchie en een reeks van miltaire nederlagen (tegen Frankrijk in 1859, tegen Pruissen in 1866). De machtsgreep van de bourgeoisie is meteen te zien in de veranderde opzet van de Ring. Die opzet is mooi verwoord in deze presentatie van het Ringstrasseproject aan de Weense bevolking (de bruine blokken zijn nieuwbouw):

Links van de kaart kleedt "Schoonheid" de Weense maagd aan (tekst linksonder: "Verfraaid door Kunst"), rechtsonder leest men "Sterk door Wet en Vrede", lees: niet door militair geweld. Vanaf nu is de burgerij aan de macht; voor haar is de uiterlijke schoonheid van de "Prachtstrasse" hét symbool van haar rationalistische ideologie.

Opvallend is daarbij dat de burgerij geen eigen, nieuwe vormentaal ontwikkelt, maar steeds citeert uit en verwijst naar allerlei stijlen uit het verleden. Zoals Ringplanner Förster al in 1836 opmerkt, "Deze eeuw heeft geen beslissende kleur": men speelt continu leentjebuur in het verleden, met name bij de Barok. Dit historicisme speelt ook de schilderkunst parten, zoals je ziet als je Makart, Canon of de vroege Gustav Klimt bekijkt. Deze laatste verdient zijn sporen dan ook eerst als decorateur in de "Ringstrasse-Bauten."

Het is overigens belangrijk te beseffen dat de Ringstrassetijd niet alleen een periode van "Stadtverschönerung" was, maar ook het tijdperk van een nieuwe, liberale ideologie, die het leven van Wenens inwoners veranderde. Voor ons is de meer technische stadsvernieuwing misschien minder spectaculair dan de Ringstrasse, maar voor de lagere klassen betekende de aanleg van vele publieke werken waarschijnlijk meer. We zien de aanleg van een waterleiding, van gasverlichting, riolering, door de gemeente gefinancierde ziekenhuizen, en nieuwe parken - burgemeester Kajetan Felder noemt ze "de longen van de metropool", een klassiek geworden term. Tegelijk wordt op een uitzondering na niet voldaan aan de vraag van de lagere klassen naar goedkope behuizing - tot 1919, als de socialisten aan de macht komen.

Parlement Rathaus Votivkirche Börse Museum en Akademie für angewandte Kunst Oper Hofburg (18de eeuw) Kunsthistorisches Museum Naturhistorisches Museum Burgtheater