Waterval: Grammatica/Grammaire/Grammar/Grammatik
|
|
Letters en cijfers |
Voornaamwoorden |
Soorten woorden |
Werkwoorden |
Zinnen |
|
1 |
Lc1: De klinkers a/aa, e/ee, o/oo,i/ie,u/uu; ei/ij, ou/au, ui, eu; ng/nk |
V1: het onderwerp ik, jij, hij; |
S1: Het lidwoord de, het, een |
W1: Tegenwoordige tijd – regelmatig ik loop, jij/hij loopt, wij/jullie zij lopen |
Z1: Het onderwerp, de persoonsvorm, de rest Ik ga nu. |
|
2 |
Lc2: De medeklinkers b,c,d,f,g,h, |
V2: Het bezittelijk voornaamwoord
|
S2: Het substantief: meervouden
en verkleinwoorden schoen-schoentje |
W2: Tegenwoordige tijd – onregelmatig hebben en zijn, |
Z2: De persoonsvorm komt op plaats 2 Ik ga vandaag. Vandaag
ga ik. |
|
3 |
Lc3: De leestekens .
! ? , ; : -() |
V3: Het meewerkend en het lijdend
voorwerp mij
en me, jou en je |
S3: Adjectieven de oude schoen, een oud huis, een houten huis |
W3: Verleden tijd – regelmatig
|
Z3: De gebiedende wijs |
|
4 |
L4: De spelling koppen, kopen |
V4: Het aanwijzend voornaamwoord |
S4:
De trappen van vergelijking klein, kleiner, kleinst |
W4: Verleden tijd – onregelmatig |
Z4: Twee soorten ontkennende zinnen Ik ga niet. Ik heb geen zin. |
|
5 |
lc5: Tellen eerste, tweede |
V5: Het betrekkelijk voornaamwoord |
S5: Het bijwoord |
W5: werkwoorden van duur Ik zit te eten, |
Z5: Vraagwoorden Wie, wat, waar, waarom en wanneer? |
|
6 |
lc6: De tijd de kalender |
V6: Onbepaalde voornaamwoorden
iemand,
iets |
S6: Het voorzetsel Voor, na, tijdens, halverwege
de les.. |
W6: Scheidbare en onscheidbare werkwoorden |
Z6: Over de volgorde - tweede werkwoord achteraan - meewerkend voorwerp voor
lijdend voorwerp, |
|
7 |
lc7: Rekenen |
V7: Wederkerende en wederkerige |
S7: Het woord “er” |
W7: Werkwoorden met vast voorzetsel |
Z7: Voegwoorden Voegwoorden en de volgorde
in bijzinnen |
|
|
|
|